Op 29 september 2026 zat Bart De Pauw bij Gert Verhulst aan tafel om zijn nieuwe theatervoorstelling voor te stellen. De man die in 2021 werd veroordeeld voor belaging en elektronische overlast, had inmiddels een succesvolle comeback op het toneel achter de rug. Zijn vorige voorstelling trok meer dan 33.000 bezoekers en voor de nieuwe tournee waren alweer bijkomende speeldata aangekondigd.
Een van de onderdelen van De Stoute Bart De Pauw Show is een sketch over de Woke Politie, een fictieve ordedienst die kennelijk moet toezien op wat mensen tegenwoordig nog mogen zeggen. De Pauw heeft er zelfs een televisieformat voor bedacht, dat hij tijdens zijn voorstelling aan het publiek presenteert.
Ik vind dat een fascinerende keuze. Een man die veroordeeld werd voor belaging van vrouwen, keert terug met een voorstelling waarin hij onder andere de spot drijft met een samenleving die kennelijk te streng is geworden. Het publiek betaalt om hem aan het woord te horen, de voorstellingen verkopen uitstekend en de Woke Politie blijkt bij nader inzien een tamelijk beroerde staat van dienst te hebben.
De Pauw heeft daadwerkelijk ernstige professionele gevolgen ondervonden van zijn gedrag. Hij verloor zijn samenwerking met de VRT en zijn vroegere positie in het televisielandschap. Daar kan een legitieme discussie over worden gevoerd, inclusief de vraag wanneer iemand na een veroordeling opnieuw een plaats in het publieke leven mag innemen. Ik zou niet weten waarom die mogelijkheid principieel uitgesloten moet zijn.
Maar in discussies over zulke affaires verschijnt geregeld een ander argument, dat me minstens zo interessant lijkt als het gebruikelijke geklaag over woke: het waren toen andere tijden.
Dat is een merkwaardige formulering. Alsof de kalender verantwoordelijk was voor het gedrag. Alsof vrouwen vroeger minder last hadden van ongewenste aandacht omdat de maatschappelijke normen nog niet aan hun gevoelens waren aangepast. De tijden waren inderdaad anders, alleen vermoed ik dat de vrouwen die destijds met grensoverschrijdend gedrag werden geconfronteerd, daar een aanzienlijk minder nostalgische herinnering aan hebben.
Belaging was ook toen al strafbaar. Vrouwen konden ook toen al bang worden van aanhoudende ongewenste berichten. Een machtsverschil tussen een gevestigde televisiemaker en een jonge actrice werd niet pas problematisch toen iemand er een hashtag voor bedacht. Wat veranderde, was de maatschappelijke bereidheid om zulke gedragingen serieus te nemen en de macht van degene die ze vertoonde ter discussie te stellen.
En daarin raakt het argument van de andere tijden aan die andere bekende klacht: je mag tegenwoordig ook niets meer zeggen.
Beide formuleringen suggereren dat de maatschappelijke verandering zelf het probleem is. Vroeger konden bepaalde gedragingen kennelijk zonder al te veel gevolgen plaatsvinden, terwijl mensen tegenwoordig ineens bezwaar maken. De aandacht verschuift naar de strengheid van de huidige normen en weg van de ervaringen van degenen die jarenlang met het gedrag moesten leven.
Dat levert een bijzondere vorm van nostalgie op. Men verlangt terug naar een tijd waarin er minder werd geklaagd, zonder zich af te vragen hoeveel mensen destijds goede redenen hadden om hun mond te houden.
De publieke deelnemers aan dat verlangen beschikken ondertussen over opvallend ruime mogelijkheden om het te uiten. Ze hebben columns, podcasts en uitnodigingen voor talkshows waarin ze uitleggen dat de vrijheid van meningsuiting onder druk staat. Hun verontwaardiging krijgt zendtijd, hun uitspraken worden geciteerd en de reacties daarop vormen vervolgens aanleiding voor een nieuw gesprek over de vraag of we niet veel te ver zijn doorgeschoten.
Het merkwaardige is dat hun aanwezigheid in diezelfde media zelden aanleiding geeft om de klacht wat nauwkeuriger te onderzoeken. De uitspraak die kritiek opriep, werd kennelijk zonder problemen gepubliceerd. De verontwaardiging daarover krijgt vervolgens opnieuw een podium, waarop de spreker mag uitleggen hoezeer zijn vrijheid van meningsuiting wordt bedreigd. De kritiek op zijn woorden wordt zo het bewijs dat hij ze niet had mogen uitspreken. Een bijzonder comfortabele redenering, want zodra je de verontwaardiging van anderen als censuur kunt presenteren, hoef je je nauwelijks nog te verantwoorden voor wat die verontwaardiging veroorzaakte.
Dat mechanisme heeft alles te maken met de verdeling van spreekruimte. Wie jarenlang vanuit een gezaghebbende positie zijn mening kon verkondigen, hoefde zich betrekkelijk weinig aan te trekken van de bezwaren van de mensen over wie hij sprak. Zijn uitspraken werden als vanzelfsprekend beschouwd en zijn humor als universeel, terwijl de betrokkenen doorgaans afhankelijk waren van de bereidheid van een redactie om hun reactie te publiceren.
Sociale media hebben dat veranderd. Een opmerking die vroeger in een televisieprogramma werd gemaakt en de volgende ochtend alweer was vergeten, kan tegenwoordig binnen enkele minuten worden verspreid, bekritiseerd en van context voorzien. Mensen die voorheen nauwelijks toegang hadden tot de publieke discussie, kunnen inmiddels zelf een aanzienlijk publiek bereiken.
Voor iemand die gewend was aan een vrijwel onbelemmerde spreekruimte, kan die ontwikkeling aanvoelen als een beperking. Je vertelt dezelfde grap als twintig jaar geleden en ineens lachen er mensen om de verkeerde reden, of ze lachen helemaal niet. Er komt iemand vertellen waarom die grap beledigend is, iemand anders vindt hem gewoon niet grappig en voor je het weet moet je bij een talkshow uitleggen dat humor tegenwoordig onmogelijk is geworden.
Wat een werk.
De klacht over het verdwijnen van de vrijheid van meningsuiting verbergt daarmee een nogal opmerkelijke verwachting. De spreker beroept zich op zijn vrijheid om iets te zeggen, terwijl de luisteraar geacht wordt zijn vrijheid om daarop te reageren met enige terughoudendheid te gebruiken. Kritiek wordt ervaren als censuur, verontwaardiging als intolerantie en het weigeren om nog langer te lachen als een bedreiging voor de democratische rechtsorde.
Vooral dat laatste vind ik fascinerend. Dat een grap niet meer aanslaat, wordt kennelijk ervaren als een maatschappelijke ontwikkeling waarvoor de overheid op enig moment verantwoordelijkheid zal moeten nemen.
In Nederland kregen we in 2022 een bijzonder aanschouwelijke demonstratie van hoe het begrip cancelen zijn eigen werkelijkheid kan creëren. Johan Derksen vertelde bij Vandaag Inside een anekdote over seksueel grensoverschrijdend gedrag met een bewusteloze vrouw, waarna hij zijn oorspronkelijke verhaal een dag later afzwakte. Er ontstond grote publieke verontwaardiging. Derksen en zijn collega’s besloten hun programma stop te zetten.
De reacties waren fel en de gevolgen voor Derksen waren ook buiten de televisie concreet. Hij verloor onder andere werkzaamheden bij regionale omroepen en zijn betrokkenheid bij een bluesfestival. Daar valt een serieus gesprek over de proportionaliteit van publieke afrekening mee te voeren, ook wanneer je zijn gedrag verwerpelijk vindt.
Maar op 16 mei, na ruim twee weken afwezigheid, zat Derksen alweer aan tafel bij SBS6. Hij stak zijn middelvinger op naar de mensen die volgens hem hadden geëist dat hij excuses zou aanbieden.
Een televisiestudio, een landelijke zender, een camera die zijn middelvinger nauwkeurig registreerde. Het Nederlandse medialandschap had blijkbaar besloten zijn zwijgen integraal uit te zenden.
Derksen had ondervonden dat publieke uitspraken consequenties kunnen hebben, terwijl zijn terugkeer tegelijkertijd liet zien hoeveel maatschappelijke ruimte hij ondanks alles behield. Hij beschikte nog steeds over een televisiezender die hem wilde uitzenden en een publiek dat bereid was terug te keren. Zijn tijdelijke afwezigheid was een nationale discussie geworden. Zelfs het vooruitzicht dat hij misschien nooit meer op televisie zou verschijnen, genereerde meer media-aandacht dan de meeste Nederlanders in hun hele leven krijgen.
We hebben het voortdurend over de gevolgen van spreken, terwijl we nauwelijks onderzoeken hoe ongelijk de mogelijkheid om gehoord te worden verdeeld is.
Artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens beschermt de vrijheid van meningsuiting, ook wanneer uitingen schokken of beledigen. Die bescherming is essentieel, juist omdat een democratie weinig heeft aan een grondrecht dat uitsluitend geldt voor opvattingen waarmee de meerderheid het eens is.
Maar een recht om je mening te verkondigen geeft je geen aanspraak op instemming. Evenmin kan iedere redactionele keuze om iemand niet uit te nodigen automatisch worden beschouwd als een aantasting van zijn grondrechten. Een krant heeft zelf redactionele vrijheid en mag besluiten dat de mening van een columnist inmiddels voldoende bekend is om haar niet voor de zevenhonderdste keer af te drukken. Dat lijkt me bovendien een tamelijk bescheiden vorm van redactionele vernieuwing.
Tegelijkertijd is de veelgehoorde tegenwerping dat vrijheid van meningsuiting nu eenmaal geen vrijheid van consequenties betekent, mij iets te gemakkelijk. Daarmee is immers nog niets gezegd over de aard en de proportionaliteit van die consequenties.
Een werknemer die wegens een controversiële maar rechtmatige uitspraak zijn baan verliest, kan wel degelijk slachtoffer worden van een onevenredige sanctie. Een schrijver wiens uitgever onder druk wordt gezet om een boekcontract te beëindigen, heeft goede redenen om zich zorgen te maken over de bereidheid van culturele instellingen om afwijkende opvattingen te beschermen. Publieke intimidatiecampagnes kunnen mensen ertoe brengen bepaalde onderwerpen voortaan te vermijden. Het feit dat iemand juridisch gezien nog mag spreken, betekent allerminst dat hij maatschappelijk ook daadwerkelijk de ruimte ervaart om dat te doen.
Cancelcultuur is als begrip veel te rommelig om iedere klacht bij voorbaat als aanstellerij af te doen. Het maakt nogal verschil of iemand op sociale media wordt tegengesproken, door zijn werkgever wordt ontslagen, zijn uitgever verliest of met de dood wordt bedreigd.
Toch worden die gebeurtenissen voortdurend onder dezelfde noemer geplaatst, waardoor het ongemak van een bekende opiniemaker die kritiek krijgt, in hetzelfde register belandt als de angst van iemand die vanwege bedreigingen nauwelijks nog durft te publiceren.
Zodra je kritiek op je uitspraken kunt presenteren als een aanval op je vrijheid van meningsuiting, verandert de inhoudelijke discussie in een debat over jouw rechten. De oorspronkelijke aanleiding verdwijnt naar de achtergrond, terwijl de aandacht zich verplaatst naar de vermeende onverdraagzaamheid van je tegenstanders. En omdat vrijwel iedereen het belang van vrijheid van meningsuiting onderschrijft, begint het nieuwe debat op bijzonder gunstig terrein.
Je hoeft dan nauwelijks nog uit te leggen waarom je oorspronkelijke uitspraak redelijk was. Je moet vooral aannemelijk maken dat anderen jouw vrijheid bedreigen.
In die omzetting van kritiek naar slachtofferschap schuilt ook een verdienmodel. De persoon die beweert gecanceld te worden, kan zijn afrekening met cancelcultuur vervolgens verwerken in een nieuwe column, een televisieoptreden of een theatervoorstelling. De verontwaardiging levert materiaal op. De tegenstanders zorgen voor publiciteit en de controverse houdt zichzelf in stand.
Dat betekent uiteraard niet dat iedereen die over cancelcultuur spreekt bewust een commerciële strategie volgt. Mensen kunnen oprecht ervaren dat hun vertrouwde omgeving vijandiger is geworden. Alleen zegt die ervaring op zichzelf weinig over de vraag of hun spreekvrijheid daadwerkelijk wordt aangetast. Ook een verloren voorkeurspositie kan voelen als onrecht, vooral wanneer je die positie nooit als een privilege hebt herkend.
Het waren andere tijden.
Ik blijf bij die formulering hangen, omdat ze zoveel verhult over de mensen voor wie die vroegere tijd aanzienlijk minder aangenaam was. Dezelfde samenleving waarin een televisiemaker jarenlang vrijwel onaantastbaar kon lijken, bood jonge vrouwen veel minder mogelijkheden om zich tegen invloedrijke mannen te verweren. Een klacht kon je carrière schaden, een afwijzing kon gevolgen hebben voor toekomstige opdrachten en wie publiekelijk sprak, moest rekening houden met de mogelijkheid dat haar geloofwaardigheid ter discussie zou worden gesteld.
De maatschappelijke omgang met grensoverschrijdend gedrag veranderde doordat vrouwen begonnen te vertellen wat hen was overkomen en anderen bereid bleken te luisteren. Die verandering heeft een geschiedenis van tegenstand, ongeloof en de voortdurende eis dat slachtoffers toch vooral zorgvuldig moesten blijven in de manier waarop ze hun ervaringen formuleerden.
Dat er vandaag meer consequenties kunnen volgen op ongewenst gedrag, is geen bewijs dat het gedrag vroeger aanvaardbaar was. Het zegt minstens zoveel over de positie van degenen die destijds nauwelijks mogelijkheden hadden om zich ertegen te verzetten.
En de werkelijke beperkingen van spreekvrijheid zijn ook vandaag minder abstract dan het publieke debat erover doet vermoeden.
PersVeilig onderzocht de veiligheid van vrouwelijke journalisten in Nederland. Uit een enquête onder 292 vrouwelijke journalisten bleek dat 82 procent van de respondenten ooit te maken had gehad met intimidatie, agressie of bedreiging. Bijna een derde maakte dit maandelijks of vaker mee. Het onderzoek vormt geen representatieve telling van alle Nederlandse vrouwelijke journalisten, maar de gevolgen die de respondenten beschreven, zijn daarom niet minder ernstig.
Van de vrouwen bij wie die incidenten hun manier van werken beïnvloedden, koos 52 procent de woorden zorgvuldiger. Negentien procent publiceerde niet meer over bepaalde onderwerpen.
Ik blijf vooral bij dat laatste percentage hangen.
Hier zijn mensen die daadwerkelijk onderwerpen laten liggen omdat hun werk hen blootstelt aan intimidatie of bedreiging. Hun professionele vrijheid wordt kleiner. De informatie die zij verzamelen en de verhalen die zij zouden kunnen vertellen, bereiken het publiek mogelijk niet meer. Dat raakt de vrijheid van meningsuiting op een manier die voor een democratische samenleving wezenlijk is, omdat ook het recht van anderen om informatie te ontvangen erdoor wordt getroffen.
Toch ziet die vorm van zwijgen er aanzienlijk minder aantrekkelijk uit op televisie. Een journalist die een onderwerp vermijdt, veroorzaakt geen rel. Er verschijnt geen spraakmakend interview waarin zij uitvoerig uitlegt wat ze allemaal had willen publiceren, want het hele probleem is nu juist dat de mogelijke gevolgen haar daarvan weerhouden.
De mensen die zich het luidst beroepen op hun recht om ongehinderd te spreken, zijn bovendien niet noodzakelijk degenen die zich even hard maken voor de spreekvrijheid van anderen. Wie een activist die een racistische uitspraak bekritiseert meteen beschuldigt van censuur, vraagt in feite om bescherming tegen de uitoefening van precies hetzelfde recht waarop hij zichzelf beroept.
De vraag wie mag spreken, wordt dan ongemerkt een vraag wie de bevoegdheid bezit om het gesprek af te sluiten.
Daarmee verdwijnt het machtsverschil tussen de deelnemers uit beeld. De bekende columnist en de onbekende vrouw die onder zijn column reageert, kunnen zich beiden beroepen op de vrijheid van meningsuiting, maar beschikken over heel verschillende middelen om hun woorden publiek te maken. Als hij haar antwoord negeert, gebeurt er weinig. Als zij zijn woorden bekritiseert en duizenden mensen haar bijvallen, kan hij zichzelf ineens presenteren als slachtoffer van een georganiseerde aanval.
Dat haar woorden zijn positie daadwerkelijk kunnen beïnvloeden, is kennelijk al voldoende om haar vrijheid als bedreiging voor de zijne te beschouwen.
Ik moest bij het recente optreden van De Pauw ook denken aan de getuigenis die actrice Maaike Cafmeyer in 2021 tijdens zijn proces aflegde. Ze vertelde hoe moeilijk het was geweest om als jonge vrouw op zijn gedrag te reageren. Een afwijzing, een instemming, zelfs een aarzelend antwoord kon verkeerd uitpakken. Ze beschreef de beklemming die ontstaat wanneer iemand de omstandigheden bepaalt waaronder je mag reageren en je nauwelijks nog weet hoe je jezelf kunt beschermen.
Inmiddels heeft De Pauw opnieuw een publiek gevonden en staat hij voor duizenden mensen op een podium. Dat mag. Dat een veroordeelde na verloop van tijd opnieuw kan werken, hoort ook bij een samenleving die mensen niet voor altijd wil vastzetten op hun verleden.
Maar terwijl er in zijn nieuwe voorstelling een Woke Politie wordt opgevoerd, denk ik aan de vrouwen die destijds moesten afwegen welke woorden ze tegen hem konden gebruiken en wat de gevolgen daarvan zouden zijn.
Zij hadden geen fictieve politie nodig om op hun woorden te letten.